Beschikbaar in 27 EU-landen — in jouw taal, met lokale btw-tarieven en rekenmachines
Land

Belasting op edelmetalen in Nederland

In het Nederlandse belastingstelsel luidt de vraag bij edelmetaal niet wanneer u verkoopt, maar wat u op 1 januari bezat. Fysiek goud, zilver, platina en palladium horen tot de bezittingen van box 3: een roerende zaak die als belegging dient. Over de winst die een particulier bij een verkoop maakt, bestaat daarentegen geen belastbaar feit — er is geen norm die hem grijpt. Wie uit een stelsel komt waarin een bezitsduur de winst vrijmaakt, kijkt hier dus niet naar een andere termijn, maar naar de afwezigheid van het hele idee.

Precies daarom is de omgekeerde conclusie even verkeerd. Dat er geen heffing op de verkoopwinst staat, betekent niet dat goud in Nederland onbelast is. Bij een vermogen dat volledig uit overige bezittingen bestaat, komt de rekening in 2026 uit op 6,00 % forfait maal 36 % tarief, dus op ongeveer 2,16 % van de waarde boven het heffingvrij vermogen — elk jaar opnieuw, of u verkoopt of niet, en of er waardegroei was of niet. Wie tien jaar aanhoudt, betaalt tien keer.

Deze pagina beschrijft het Nederlandse recht voor het belastingjaar 2026: box 3 van peildatum tot tegenbewijs, de btw-systematiek rond beleggingsgoud en de witte metalen, de grens naar box 1, en erven en schenken onder de Successiewet 1956. Het is algemene informatie en geen belastingadvies voor uw situatie, het beveelt geen handelaar aan en het voorspelt geen prijs. Bij elk getal staat waar het vandaan komt — uit de wet, uit een opgave van de Belastingdienst of uit een gepubliceerd standpunt — en waar de officiële bron minder zegt dan de markt beweert, staat dat er ook.

Door Markus Markert · Laatst bijgewerkt: 17 augustus 2026

Inhoud
  1. Nederland belast het bezit, niet de verkoopwinst
  2. Geen bezitstermijn en geen vrijstelling na een jaar
  3. Wat er in box 3 valt en wat er buiten blijft
  4. De peildatum van 1 januari en de waarde in het economisch verkeer
  5. De percentages en bedragen voor het belastingjaar 2026
  6. Van rendementsgrondslag naar effectief rendementspercentage
  7. Het heffingvrij vermogen is geen vrijstelling voor winst
  8. Waarom gouden en zilveren munten geen contant geld zijn
  9. De tegenbewijsregeling en het werkelijk rendement
  10. Wat u zelf moet vastleggen om tegenbewijs te leveren
  11. Fysiek metaal en papiergoud in dezelfde vermogenscategorie
  12. Het wetsvoorstel werkelijk rendement is nog geen geldend recht
  13. Wanneer beleggen overgaat in een werkzaamheid in box 1
  14. Het tweede omslagpunt: ondernemer voor de btw
  15. Btw: beleggingsgoud is vrijgesteld, de witte metalen niet
  16. Welke baren en munten als beleggingsgoud kwalificeren
  17. De margeregeling en de plaats van munten daarin
  18. Erfbelasting op edelmetaal: tarief, vrijstellingen en termijn
  19. Schenken van edelmetaal en de jaarlijkse vrijstellingen
  20. Termijnen, bewijsstukken en vooroverleg met de Belastingdienst
Deskundig. Onafhankelijk. Betrouwbaar.

Wij verkopen geen goud en bevelen geen handelaren aan — wij geven alleen gecontroleerde kennis uit officiële bronnen door, gekoppeld aan actuele prijzen. Geen koopadvies, geen voorspellingen.

Bevalt wat je ziet en leest?

We steken ons hart in het snel, overzichtelijk en gratis houden van preciousmetalprices.com — geen betaalmuren, geen rommel, gewoon betrouwbare feiten en livekoersen. Als het je helpt, is de mooiste manier om dank je wel te zeggen het door te geven. Elke keer dat je het deelt, help je een medebelegger ons te ontdekken en houd je het project levend. 💛

Belasting op edelmetalen in Nederland — gratis livekoers-afbeelding om te delen van preciousmetalprices.com
Thema

Nederland belast het bezit, niet de verkoopwinst

Hoofdstuk 5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 regelt het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen. Fysiek edelmetaal valt daar zonder omhaal onder: baren zowel als munten zijn een roerende zaak die als belegging dient, en daarmee een bezitting in box 3. Wat belast wordt is niet een gerealiseerde winst, maar een rekenkundig rendement over het bezit op de peildatum. Een verkoop verschuift alleen vermogen van de ene categorie naar de andere; als gebeurtenis is hij fiscaal kleurloos.

De andere kant van dezelfde medaille is even structureel.

Belangrijk

Voor de winst die een particulier bij de verkoop van fysiek metaal maakt, bestaat in Nederland geen belastbaar feit.

Dat is iets anders dan een vrijstelling, en het verschil is geen woordenspel: een vrijstelling veronderstelt een heffing die eerst grijpt en daarna wordt teruggenomen, terwijl hier van begin af aan geen norm bestaat die de verkoopwinst pakt.

Waarschuwing

Wie schrijft dat goud in Nederland „na een bepaalde periode belastingvrij” is, beschrijft een stelsel dat hier niet bestaat.

Het Nederlandse en het Duitse stelsel staan gespiegeld

Voor lezers die de Duitse systematiek kennen, staat alles gespiegeld: Duitsland belast een particuliere verkoopwinst en laat die na verloop van tijd vrij, maar kent geen jaarlijkse heffing op het bezit, terwijl Nederland het bezit elk jaar belast en de winst nooit.

Kenmerk Nederland Duitsland
Winst bij verkoop door een particulier Geen belastbaar feit Belast, en na verloop van tijd vrij
Jaarlijkse heffing op het bezit Ja, via box 3 Geen
Bezitstermijn Bestaat niet Bepalend voor de heffing

Beide stelsels op elkaar leggen levert in beide richtingen een verkeerd antwoord. Onze belastingrekenmachine is niet meer dan een hulpmiddel om die orde van grootte af te tasten: hij rekent geen aanslag uit, hij volgt de systematiek van dit hoofdstuk niet stap voor stap, en hij vervangt geen aangifte.

Geen bezitstermijn en geen vrijstelling na een jaar

De begrippen die in Duitstalige teksten de hele discussie dragen, hebben in Nederland geen tegenhanger. Er is geen bezitstermijn na afloop waarvan een winst onbelast wordt, en dus ook geen reden om een verkoop om fiscale redenen uit te stellen of te versnellen. Wie een baar na drie weken verkoopt en wie hem na twintig jaar verkoopt, komen fiscaal op precies hetzelfde uit: bij geen van beiden is de winst een belastbaar feit, en bij beiden is het bezit in de tussenliggende jaren wel belast.

Datzelfde geldt voor het bijbehorende begrippenapparaat. Een privé-vervreemdingstransactie is een figuur uit het Duitse recht, net als de daarbij horende vrijstellingsgrens voor vervreemdingswinst. Nederland heeft geen van beide, en ook geen bedrag waaronder een winst „nog net” buiten de heffing valt. Wie op zoek is naar zo'n grens, zoekt naar iets wat in de Nederlandse wet niet voorkomt.

Wat er in plaats daarvan is, rekent niet met aankoopbedragen en niet met bezitsduur, maar alleen met de waarde die u op 1 januari in bezit had:

  • één peildatum per jaar;
  • één forfaitair percentage per vermogenscategorie;
  • één tarief;
  • één vermogensvrijstelling;
  • en sinds 2025 een tegenbewijsregeling.

Wat er in box 3 valt en wat er buiten blijft

Artikel 5.3 lid 2 Wet IB 2001 somt de bezittingen op. Een goudbaar en een bullionmunt staan daarin op dezelfde plek: beide zijn een roerende zaak die als belegging dient. Er is geen bijzonder regime voor goud, geen gunstiger behandeling voor munten dan voor baren, en geen aparte categorie voor kleine hoeveelheden. De aangifte kent voor dit alles één rubriek, en dat is de rubriek overige bezittingen.

Twee uitzonderingen die vaak door elkaar lopen

Twee uitzonderingen komen in dit verband vaak langs, en ze zijn juridisch twee verschillende dingen — wie ze op één hoop gooit, schrijft in beide richtingen iets verkeerds.

Uitzondering Juridische figuur Geldt voor beleggingsmetaal?
Roerende zaken voor eigen gebruik of gebruik binnen het gezin Staat in de definitie van de bezittingen zelf, zodat de zaak niet eens wordt meegenomen Nee: beleggingsmetaal is geen gebruiksvoorwerp
Voorwerpen van kunst en wetenschap (art. 5.8 Wet IB 2001) Een echte vrijstelling: het voorwerp is een bezitting en wordt daarna vrijgesteld Niet als u het vooral als belegging houdt

De eerste is de uitsluiting van roerende zaken voor eigen gebruik of voor gebruik binnen het gezin: die staat in de definitie van de bezittingen zelf, zodat de zaak niet eens wordt meegenomen. De Belastingdienst noemt als voorbeelden uw auto, uw inboedel en kunst. Beleggingsmetaal is geen gebruiksvoorwerp en valt daar dus niet onder. De tweede is de vrijstelling voor voorwerpen van kunst en wetenschap in artikel 5.8 Wet IB 2001: dat is een echte vrijstelling — het voorwerp is een bezitting en wordt vervolgens vrijgesteld — en de Belastingdienst voegt daar uitdrukkelijk aan toe: „behalve als u deze vooral als belegging hebt”.

Voor bullion is die vraag daarmee beantwoord: het is belegging. Voor een verzameling met een numismatisch karakter zonder beleggingsoogmerk ontbreekt een uitspraak van de Belastingdienst over muntcollecties, en wij doen die uitspraak hier niet in uw plaats: dat wordt per geval met de inspecteur beslecht.

De peildatum van 1 januari en de waarde in het economisch verkeer

Box 3 kent precies één meetmoment: 1 januari van het belastingjaar. Wat u die dag bezit, bepaalt de heffing over het hele jaar, en transacties daarna verschuiven dat meetmoment niet meer: wie op 2 januari koopt, ziet die aankoop pas in het volgende jaar terug, en wie op 31 december verkoopt, is over het hele afgelopen jaar toch aangeslagen, want op de peildatum was het metaal er nog. De maatstaf is de waarde in het economisch verkeer (artikelen 5.2 lid 1 en 5.19 lid 1 Wet IB 2001). De Belastingdienst formuleert het voor de aangifte zo: „U geeft de waarde aan op 1 januari 2026. Meestal gaat het om de waarde in het economisch verkeer.”

Er is geen voorgeschreven waardebron

Opmerking

Wat daar niet staat, is minstens zo belangrijk: er is geen voorgeschreven waardebron.

Geen aangewezen koersleverancier, geen keuze tussen bied- en laatkoers, geen tijdstip op de dag en geen regel voor het agio dat bij munten boven de metaalwaarde zit. De vaak geciteerde „spotprijs per gram op 1 januari” komt uit handelaarsteksten, niet uit een regeling.

Tip

Kies een methode die u kunt uitleggen, leg vast welke dat was, en gebruik volgend jaar dezelfde.

Marktgegevens zijn daarvoor terug te zoeken, bijvoorbeeld in een koershistorie — maar geen enkele koersbron is door de Belastingdienst als maatstaf aangewezen, ook deze niet.

Uit de peildatum volgt nog iets waar veel over gespeculeerd wordt: wie in de loop van het jaar koopt, is met die aankoop in dat jaar nog niet in de heffing betrokken. Dat is een beschrijving van hoe een peildatum werkt, geen tip. Er bestaat een antimisbruikregeling tegen peildatumarbitrage voor het schuiven tussen vermogenscategorieën rond de peildatum; hoe ver die reikt en of zij op edelmetaal wordt toegepast, blijft hier buiten beschouwing.

De percentages en bedragen voor het belastingjaar 2026

Box 3 werkt met drie forfaitaire percentages en één tarief. Voor edelmetaal is alleen het percentage voor overige bezittingen van belang, en dat is het hoogste van de drie. De Belastingdienst is over de status van die percentages voor 2026 uitdrukkelijk: „Het percentage voor beleggingen en andere bezittingen staat al vast. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn nog voorlopig.” De definitieve vaststelling van die twee volgt begin 2027.

Grootheid 2026 Status
Tarief box 3 36 % definitief, artikel 2.13 Wet IB 2001
Forfait overige bezittingen (edelmetaal) 6,00 % staat vast, opgave Belastingdienst
Forfait banktegoeden 1,28 % voorlopig, definitief begin 2027
Forfait schulden 2,70 % voorlopig, definitief begin 2027
Heffingvrij vermogen per persoon € 59.357 definitief, artikel 5.5 Wet IB 2001
Idem bij een fiscale partner het hele jaar € 118.714 definitief
Vrijstelling contant geld € 672, met partner € 1.344 niet bruikbaar voor edelmetaal

Artikel 5.5 Wet IB 2001 zegt het in één zin: „Het heffingvrije vermogen bedraagt € 59.357.” Voor 2025 lagen die bedragen op € 57.684 respectievelijk € 115.368, dus elk getal hoort bij een genoemd belastingjaar. Uit publicaties van najaar 2025 circuleren daarnaast nog cijfers uit het oorspronkelijke wetsvoorstel bij het Belastingplan 2026 die het parlement niet hebben gehaald — een aangenomen amendement heeft het forfait op 6,00 % gehouden en het heffingvrij vermogen volledig geïndexeerd. Ook de eerste voorlopige aanslagen 2026 waren nog naar dat wetsvoorstel gerekend, zodat een schermafbeelding daarvan geen bewijs van de geldende cijfers is.

De heffing hangt dus aan de waarde van uw bezit, niet aan uw handelen. Stijgt de goudprijs tussen twee peildata sterk, dan stijgt de heffing over het volgende jaar mee, ook als u niets hebt gekocht of verkocht.

Van rendementsgrondslag naar effectief rendementspercentage

De kortste formule voor box 3 luidt: vermogen minus heffingvrij vermogen, daarvan 6,00 %, daarvan 36 % — dus ongeveer 2,16 % van de waarde per jaar. Die formule is juist in het zuivere geval: alleen overige bezittingen, geen banktegoeden, geen schulden in box 3. Wie een spaarrekening naast zijn metaal heeft, of een schuld die in box 3 valt, rekent er met deze formule naast.

De wettelijke weg is namelijk tweetraps (artikel 5.2 lid 1 en 2 Wet IB 2001). Eerst wordt uit de rendementsgrondslag — de som van alle categorieën — en het met de drie percentages berekende rendement een effectief rendementspercentage bepaald. Dat percentage wordt vervolgens toegepast op de grondslag sparen en beleggen, dus op het vermogen ná aftrek van het heffingvrij vermogen. Banktegoeden met hun veel lagere percentage drukken dat effectieve percentage; een box 3-schuld doet dat ook. De verhouding tussen uw categorieën bepaalt dus mede wat uw metaal kost.

Een rekenvoorbeeld in het zuivere geval

Een rekenvoorbeeld met de wettelijke bedragen zelf, en met de premisse er uitdrukkelijk bij: iemand met een box 3-vermogen van € 118.714 dat uitsluitend uit overige bezittingen bestaat, houdt na aftrek van het heffingvrij vermogen van € 59.357 een grondslag van € 59.357 over. Daarvan 6,00 % is € 3.561,42 aan rendement, en daarvan 36 % is € 1.282,11 aan belasting — inderdaad 2,16 % van de grondslag. Zodra in datzelfde box 3 ook spaargeld of een schuld zit, verschuift het percentage en klopt de uitkomst niet meer. De waarde van een bestand berekent u met de goudrekenmachine.

Het heffingvrij vermogen is geen vrijstelling voor winst

Het heffingvrij vermogen is een vermogensvrijstelling op de peildatum en niets anders. Het stelt € 59.357 van uw bezit op 1 januari buiten de heffing, en bij een fiscale partner voor het hele jaar wordt dat bedrag verdubbeld tot € 118.714. Het heeft geen enkele relatie met een winst, een aankoopprijs of een verkoopopbrengst, en het is dus ook geen tegenhanger van een buitenlandse vrijstellingsgrens voor vervreemdingswinst.

Twee gevolgen daarvan zijn vaak niet doordacht. Ten eerste geldt het bedrag per persoon en per jaar, niet per bezitting: uw metaal telt op bij uw spaargeld en uw overige beleggingen, en pas die som wordt aan het heffingvrij vermogen getoetst. Wie al ander vermogen in box 3 heeft, ziet zijn eerste gram goud dus direct belast.

Ten tweede — en dat is de scherpste voetangel van het hele hoofdstuk — wordt het heffingvrij vermogen bij de tegenbewijsregeling niet toegepast.

Let op

Wie de berekening van het werkelijk rendement volgt en daarbij toch nog € 59.357 aftrekt, rekent een uitkomst die de Belastingdienst niet zal overnemen.

De twee methoden zijn niet te mengen: óf het forfaitaire rendement met het heffingvrij vermogen, óf het werkelijk rendement over het totale vermogen zonder dat bedrag.

Methode Heffingvrij vermogen Waarover wordt gerekend
Forfaitair rendement Wordt toegepast Het vermogen na aftrek van het heffingvrij vermogen
Tegenbewijs met werkelijk rendement Blijft buiten toepassing Het totale box 3-vermogen

Waarom gouden en zilveren munten geen contant geld zijn

Box 3 kent naast overige bezittingen ook de categorie contant geld, met een vrijstelling tot € 672 en bij een fiscale partner tot € 1.344, en een aanzienlijk lager forfait dan de 6,00 % voor beleggingen. Omdat veel beleggingsmunten formeel wettig betaalmiddel in hun land van uitgifte zijn, is de vraag opgekomen of ze in die categorie thuishoren. De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst van de Belastingdienst heeft die vraag op 7 november 2025 beantwoord in het standpunt KG:202:2025:22, en het antwoord begint met één woord: „Nee. De ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren niet als contant geld.” Ze horen tot de vermogenscategorie overige bezittingen.

De onderbouwing is dat chartaal geld de fysieke tegenhanger van een banktegoed is, terwijl beleggingsmunten in de praktijk zelden tot nooit als betaalmiddel worden gebruikt: hun marktwaarde ligt ver boven de nominale waarde en banken nemen ze niet zonder meer aan. Het standpunt gaat in zijn slotopmerking uitdrukkelijk verder dan goud: het geldt ook voor „andersoortige munten – al dan niet in de officiële valuta van een land – waarvan de waarde in het economische verkeer (veel) hoger ligt dan de nominale waarde, zoals bijvoorbeeld een herdenkingsmunt of misdruk”. Daarmee vallen ook zilveren beleggingsmunten eronder, want een Maple Leaf in zilver draagt 5 CAD nominaal en is een veelvoud daarvan waard.

Het verschil is geen detail: tussen het percentage voor banktegoeden en de 6,00 % voor beleggingen zit bijna een factor vijf. Dat de Krugerrand of een andere munt wettig betaalmiddel is, verandert daar niets aan — een status die in andere stelsels fiscaal irrelevant is, beslist hier over de categorie, en de uitkomst is dat hij niets oplevert. Let er wel op dat het standpunt bestuurspraktijk is en geen wet of rechtspraak, dat het over munten gaat en niets over baren zegt, en dat de maatstaf de marktwaarde boven het nominaal is en niet het metaal. En verwar de categorie contant geld niet met de grens voor contante betalingen bij de aankoop zelf: dat is een heel andere regel, die in goud kopen aan de orde komt.

De tegenbewijsregeling en het werkelijk rendement

Sinds juli 2025 staat naast het forfait een tweede weg open. De Wet tegenbewijsregeling box 3 (Stb. 2025, 195, in werking gesteld bij Stb. 2025, 196, Kamerstukken 36706) voegde aan de Wet IB 2001 de afdeling 5.6 met de artikelen 5.25 tot en met 5.36 toe. De kern staat in artikel 5.25 lid 1: wie aannemelijk maakt dat zijn werkelijk rendement lager is dan het forfaitair berekende voordeel uit sparen en beleggen, wordt naar dat werkelijke rendement belast. Artikel 5.26 omschrijft dat rendement als de som van reguliere voordelen en vermogensaanwas. De regeling werkt terug voor eerdere jaren; voor de jaren tot en met 2024 loopt zij via een apart formulier.

Vijf regels bij het werkelijk rendement

Vijf regels bepalen wat dat voor edelmetaal betekent, en de meeste ervan hebben in het Duitse stelsel geen tegenhanger.

  • Ongerealiseerde waardeveranderingen tellen mee — vermogensaanwas is de waardestijging of waardedaling van uw bezittingen, en een verkoop is daarvoor niet nodig.
  • Kosten zijn niet aftrekbaar: niet de kosten van aan- en verkoop, en ook niet die van eigen opslag, een safeloket of een verzekering.
  • De enige uitzondering is betaalde rente over een schuld die in box 3 valt.
  • Verrekenen tussen jaren mag niet: een negatief rendement in het ene jaar kunt u niet met een ander jaar salderen.
  • Het heffingvrij vermogen blijft buiten toepassing, waarbij naar het rendement over uw totale box 3-vermogen wordt gekeken.

Wanneer tegenbewijs voor edelmetaal helpt

Daarmee valt de conclusie voor edelmetaal anders uit dan de naam van de regeling suggereert. Tegenbewijs helpt alleen in jaren waarin de waarde daalde of met minder dan 6,00 % steeg — en ook dan alleen als het rendement van het hele box 3-vermogen onder het forfait blijft. Na een sterk goudjaar is het forfait juist de gunstiger uitkomst. Meedoen is niet verplicht: de Belastingdienst rekent beide varianten en gebruikt volgens eigen opgave altijd het bedrag dat voor u het voordeligst is. Dat de kosten van bewaren en verzekeren nergens aftrekbaar zijn, is bovendien een punt dat rechtstreeks doorwerkt in edelmetalen opslaan en verzekeren.

Wat u zelf moet vastleggen om tegenbewijs te leveren

De regeling legt de bewijslast volledig bij de belastingplichtige, en de Belastingdienst zegt dat ook zo: „Helaas hebben wij de gegevens over uw werkelijk rendement niet. U moet de gegevens zelf bij elkaar zoeken.” Voor fysiek metaal betekent dat concreet:

  • aankoopnota's;
  • een aantoonbare waarde per 1 januari van het jaar waarover u tegenbewijs levert;
  • en een aantoonbare waarde per 31 december van datzelfde jaar.

Waarschuwing

Zonder die twee waarden is er geen vermogensaanwas te berekenen, en een bijzondere procedure voor mensen zonder stukken is niet voorzien.

Voor de jaren 2017 tot en met 2024 dient daarvoor het formulier Opgaaf werkelijk rendement: voor 2020 tot en met 2024 via Mijn Belastingdienst, voor de drie jaren daarvóór via een formulier op de website. Vanaf belastingjaar 2025 is er geen apart formulier meer, maar geeft u het werkelijk rendement in de aangifte inkomstenbelasting door. Of het aangifteformulier voor 2026 dat veld al bevat, is niet bevestigd — dat formulier verschijnt pas in 2027. De termijn waarbinnen u een oud jaar nog kunt heropenen, staat in de laatste paragraaf.

Wat een sluitende eigen administratie bevat

Praktisch komt het dus neer op een eigen, sluitende administratie — bewerkelijker dan bij een effectenrekening, waar de instelling het overzicht aanlevert.

  • Per stuk het gewicht en het fijngehalte.
  • Bij baren het serienummer en het bijbehorende assaycertificaat.
  • Per jaar één overzicht met de waarden op beide peilmomenten en de gebruikte bron.
  • Bij tussentijds bij- of verkopen: datum en bedrag erbij.

Belangrijk

Een aankoopnota is geen waardebewijs: zij zegt wat u betaalde, niet wat het stuk op 1 januari waard was. De begrippen staan met uitleg in ons lexicon.

Fysiek metaal en papiergoud in dezelfde vermogenscategorie

In buitenlandse teksten is de keuze tussen een baar en een papieren goudproduct in de eerste plaats een fiscale keuze. In box 3 verdwijnt dat onderscheid. Fysiek metaal is een roerende zaak die als belegging dient; papiergoud — beursgenoteerde goudproducten, certificaten, spaarplannen op edelmetaal, deelnemingen in een fonds — is juridisch iets heel anders, maar komt in dezelfde rubriek van de aangifte terecht. De Belastingdienst kent voor 2026 één percentage voor de categorie beleggingen en andere bezittingen, en dat is 6,00 %. De uitkomst is contra-intuïtief en toch eenvoudig: een fiscaal voordeel van het papieren product boven de baar bestaat in box 3 niet.

Belangrijk is op welk niveau die uitspraak geldt: onderbouwd is de categorie-aanduiding met het bijbehorende percentage, niet de indeling van één concreet product. Die indeling maken wij hier dus ook niet; wie er zekerheid over wil, haalt die bij de aanbieder of bij de Belastingdienst.

Ook voor het tegenbewijs schuift er niets: beide vormen leveren gewoonlijk geen reguliere voordelen op, zodat alleen de vermogensaanwas overblijft, en kosten zijn in geen van beide gevallen aftrekbaar. Het echte verschil zit in de bewijsvoering — bij een papieren positie geeft een overzicht van uw bank of broker een waarde per 1 januari, bij een baar legt u die zelf vast. Of fysiek metaal in een vooraf ingevulde aangifte opduikt, kunnen wij niet bevestigen; daarover staat hier niets.

Het wetsvoorstel werkelijk rendement is nog geen geldend recht

Naast het huidige stelsel loopt een wetgevingstraject dat vaak als voldongen feit wordt beschreven. De Wet werkelijk rendement box 3 (kamerstukdossier 36748) is op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen. De Eerste Kamer behandelde het voorstel op 30 juni 2026 plenair, maar stemde er niet over; wat op 7 juli 2026 in stemming kwam, was de motie-Schalk c.s. De inwerkingtreding is aan een koninklijk besluit gelaten, met 1 januari 2028 als richtdatum, en de staatssecretaris kondigde bij brief van 19 juni 2026 een novelle aan, te presenteren rond Prinsjesdag 2026.

De juiste formulering is daarom terughoudend: een heffing over het werkelijke rendement is gepland, de behandeling in de Eerste Kamer is niet afgerond en er is een novelle aangekondigd — niet dat vanaf 2028 zeker het werkelijke rendement wordt belast. Cijfers over die novelle circuleren wel, maar zij komen niet uit een officiële bron en staan daarom niet in deze tekst. Voor 2026 geldt onveranderd het forfaitaire overgangsstelsel met daarnaast de tegenbewijsregeling.

Wanneer beleggen overgaat in een werkzaamheid in box 1

Box 3 is niet de enige plek waar edelmetaal kan landen. Wordt het houden of verhandelen ervan een activiteit waarbij arbeid wordt ingezet die voorzienbaar een voordeel oplevert, dan is de grens van het normaal vermogensbeheer overschreden en valt het resultaat als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1, progressief belast; box 3 treedt dan terug. De grondslag staat in de artikelen 3.90 en 3.91 Wet IB 2001. Dit is een rechtsopvatting met beperkte zekerheid: de afbakening komt uit rechtspraak over het bronbegrip in het algemeen, en een uitspraak die specifiek over edelmetaal gaat, is voor deze tekst niet gevonden.

Wat er níet is, weegt hier zwaarder. Er bestaat geen wettelijke en geen gepubliceerde beleidsmatige grens: geen aantal transacties, geen omzetbedrag, geen bezitsduur. De vuistregels uit Duitstalige teksten, zoals een objectgrens of een aantal verkopen per jaar, hebben geen Nederlandse tegenhanger en worden hier dus ook niet vertaald.

Kwalitatief laat het risico zich wel omschrijven. Kopen, aanhouden en weer verkopen van eigen metaal is de kern van vermogensbeheer. Naarmate er arbeid bijkomt die het rendement mede voortbrengt — systematisch inkopen om op de spread door te verkopen, bewerken, of een organisatie eromheen bouwen — komt de vraag in zicht of er nog van beleggen sprake is. Waar die grens in uw geval ligt, beoordeelt de inspecteur en niet een gids; het gesprek daarover heet vooroverleg en komt in de laatste paragraaf terug.

Het tweede omslagpunt: ondernemer voor de btw

Er is niet één grens zonder getal, er zijn twee. Naast de overgang naar box 1 staat de volstrekt zelfstandige vraag of iemand voor de omzetbelasting ondernemer wordt. Artikel 7 lid 1 Wet OB 1968 omschrijft dat begrip in acht woorden: „Ondernemer is ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent.” Lid 2 stelt daarmee gelijk het uitoefenen van een beroep en de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De wettekst is nagetrokken; de toepassing van die ruime omschrijving op iemand die regelmatig eigen edelmetaal verkoopt, is dat niet — ook dit is dus een rechtsopvatting met beperkte zekerheid.

De twee omslagpunten zijn niet hetzelfde en hebben niet dezelfde grens. Een tekst die box 1 en de btw in één zin trekt, suggereert een systematiek die niet bestaat: het ene punt kan in zicht komen zonder het andere, en voor geen van beide is er een getal — geen omzetdrempel, geen aantal transacties, geen grens uit de kleineondernemersregeling.

De gevolgen zijn wél concreet. Wie ondernemer is, levert zilver, platina en palladium met 21 % btw, moet per levering beslissen of de margeregeling openstaat, en komt bij beleggingsgoud in de administratieve sfeer van de vrijstelling terecht: er geldt dan een boekhoudplicht waarin de voor die toepassing nodige gegevens duidelijk en overzichtelijk zijn vermeld (artikel 29d Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968). De praktische betekenis voor de lezer is vooral een waarschuwing: de vraag of u ondernemer bent, wordt niet beantwoord door de omvang van uw bezit in box 3, en ook niet door deze tekst.

Btw: beleggingsgoud is vrijgesteld, de witte metalen niet

Het algemene btw-tarief is in Nederland 21 %, het verlaagde 9 %, en beide zijn in 2026 onveranderd (artikel 9 lid 1 en lid 2 Wet OB 1968). Anders dan in Duitsland, waar 19 en 7 gelden, verschuiven hier beide getallen tegelijk — elke overgenomen voorbeeldberekening gaat dus dubbel mis. De regeling voor beleggingsgoud staat in Hoofdstuk V, Afdeling 6 van de Wet OB 1968 en omvat de artikelen 28j tot en met 28p: 28j de definitie, 28k de vrijstelling, 28l het keuzerecht. Wie in een oudere bron de reeks tot en met 28q leest, citeert buiten die afdeling; artikel 28q bestaat, maar hoort in Afdeling 7 bij een andere regeling.

Artikel 28k is een echte vrijstelling, en dat woord doet hier werk. Hij vat de levering, de intracommunautaire verwerving en de invoer van beleggingsgoud, plus de levering van rechten daarop en de diensten van tussenpersonen, en stelt dat alles vrij: de heffing grijpt wél aan en wordt daarna teruggenomen. Dat is het spiegelbeeld van de particuliere verkoopwinst uit het begin van deze gids, waar in het geheel geen belastbaar feit bestaat. Op zo'n factuur staat dan ook geen btw, omdat er geen btw ontstaat.

Buiten goud is de systematiek kaal. Afdeling 6 gaat over goud en over niets anders: zilver, platina en palladium dragen het algemene tarief, en begrippen als beleggingszilver of beleggingsplatina bestaan in het Nederlandse recht niet. Praktisch levert dat een last op die in geen koersgrafiek te zien is: de 21 % wordt bij aankoop betaald, u ziet haar bij een latere verkoop niet als aparte post terug, en voor u als particulier is zij nergens aftrekbaar — ook niet als kostenpost bij het tegenbewijs, waar kosten in het geheel zijn uitgesloten. En box 3 heft daarna elk jaar over de waarde op de peildatum. Wat dat bij de aankoop betekent, staat in zilver kopen en voor de witte metalen in platina en palladium.

Welke baren en munten als beleggingsgoud kwalificeren

Artikel 28j lid 1 kent twee zelfstandige omschrijvingen en een derde route. Voor baren en plaatjes geldt onderdeel a: het gewicht moet een door de goudmarkten aanvaard gewicht zijn en de zuiverheid ten minste 995/1000, zodat fijngoud van 999 die eis ruim haalt. Vaste handelsgewichten noemt de wet niet — anders dan het Duitse recht.

Route in artikel 28j lid 1 Waarop zij ziet Wat zij verlangt
Onderdeel a Baren en plaatjes Een door de goudmarkten aanvaard gewicht en een zuiverheid van ten minste 995/1000
Onderdeel b Munten Vier eisen die alle vier moeten kloppen
Onderdeel c Gouden munten op de jaarlijkse lijst van de Europese Commissie Geen verdere toetsing, ook niet als de opslag de 80 % overschrijdt

De vier eisen voor munten

Voor munten geldt onderdeel b, met vier eisen die alle vier moeten kloppen:

  • een gehalte van ten minste 900/1000;
  • geslagen na 1800;
  • wettig betaalmiddel in het land van oorsprong;
  • normaal verkocht tegen een prijs die de marktwaarde van het verwerkte goud met niet meer dan 80 % overstijgt.

Waarschuwing

Twee daarvan worden bij vertaling stelselmatig verminkt: het land van oorsprong is het land dat de munt heeft uitgegeven en niet Nederland, en de 80 % is een grens voor de opslag boven de goudwaarde, niet een aandeel van 80 % van de prijs.

Een peildatum voor die vergelijking noemt artikel 28j niet.

Onderdeel c is de tweede, zelfstandige weg: gouden munten op de lijst die de Europese Commissie jaarlijks in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendmaakt, zijn zonder verdere toetsing beleggingsgoud, ook als hun opslag de 80 % overschrijdt. Of de versie voor 2026 is gepubliceerd, kunnen wij niet bevestigen. Sluitstuk is lid 2: munten die aan onderdeel b of c voldoen, worden geacht niet wegens hun numismatieke belang te worden verkocht, waardoor een gouden beleggingsmunt niet in de schijf van de verzamelvoorwerpen kan belanden. Wat buiten deze omschrijvingen valt, is geen beleggingsgoud — sieraadgoud is noch een baar of plaatje, noch een munt in de zin van onderdeel b of c.

De margeregeling en de plaats van munten daarin

De Nederlandse heffing over alleen de winstmarge heet margeregeling; de bredere variant voor antiek, kunst en verzamelvoorwerpen heet aanvullende margeregeling (artikel 28c Wet OB 1968). Wie die twee door elkaar haalt, wekt de indruk dat de margeheffing is afgeschaft; zij is alleen smal, en per 1 januari 2025 smaller geworden. Voor onbewerkt edelmetaal is zij gesloten: artikel 2a lid 1 onderdeel l Wet OB 1968 haalt edele metalen en edelstenen uit het begrip gebruikte goederen, en de aanwijzing daarvan staat in artikel 4 lid 1 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968. Ook dat is geen vrijstelling: aan de voorwaarden wordt niet toegekomen.

Bij munten loopt de enige route via de categorie voorwerpen voor verzamelingen (artikel 2a lid 1 onderdeel m). Verder dan de rechtsfiguur gaat deze tekst niet. Welke voorwerpen als verzamelvoorwerp zijn aangewezen, staat in een bijlage bij de Uitvoeringsbeschikking, en een standpunt van de Belastingdienst dat een moderne zilveren beleggingsmunt daaronder brengt, hebben wij niet gevonden — de indeling van een concreet stuk laten wij daarom aan de inspecteur. De veelgehoorde uitleg dat munten van vóór 2025 in de marge blijven lopen, is onjuist: het slagjaar doet niet mee, de voorbelastingpositie van de verkoper bij inkoop wel.

Het verlaagde tarief van 9 % hangt aan dezelfde categorie en werkt, anders dan het Duitse tarief voor collectiestukken, praktisch alleen aan de grens: bij invoer van verzamelvoorwerpen en antiquiteiten uit landen buiten de EU. Dat die post per 1 januari 2026 zou verdwijnen, klopt niet — de afschaffing uit het Belastingplan 2025 is ingetrokken door de Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport (Stb. 2025, 339). Voor uw box 3 maakt dit alles geen verschil — welk btw-regime bij uw aankoop gold, is voor de waarde op de volgende peildatum niet van belang.

Erfbelasting op edelmetaal: tarief, vrijstellingen en termijn

Edelmetaal is voor de Successiewet 1956 een gewone roerende zaak; een bijzonder regime voor goud bestaat niet. Artikel 24 lid 1 kent per groep precies één grens en twee treden: partner en kinderen betalen 10 % tot € 158.669 en 20 % daarboven, overige verkrijgers 30 % en 40 %. Kleinkinderen hebben geen eigen tariefregel — artikel 24 lid 2 verhoogt de volgens lid 1 berekende belasting met 80 %, wat in de praktijk op 18 % en 36 % uitkomt, terwijl hun vrijstelling dezelfde blijft als die van kinderen.

Groep (artikel 24 SW 1956) Tot € 158.669 Daarboven
Partner en kinderen 10 % 20 %
Kleinkinderen 18 % 36 %
Overige verkrijgers 30 % 40 %

De vrijstellingen voor 2026

De vrijstellingen voor 2026 (artikel 32 lid 1 onder 4 SW 1956) draaien de vertrouwde verhoudingen om.

Verkrijger Vrijstelling 2026
Partner € 828.035
Kinderen en kleinkinderen € 26.230 elk
Ouders samen € 62.110
Overige verkrijgers € 2.769
Kind met een beperking € 78.671

De partnervrijstelling ligt daarmee ver boven de Duitse en de kindvrijstelling ver eronder, en dat kantelt de vertelling: bij vererving aan de partner blijft een collectie doorgaans binnen de vrijstelling, terwijl bij kinderen een verzameling van enige omvang de € 26.230 per kind snel vult.

Gewaardeerd wordt naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van de verkrijging (artikel 21 lid 1 SW 1956), dus per de dag van overlijden. Artikel 21 kent bijzondere waarderingsregels voor beursgenoteerde effecten, woningen en ondernemingen, maar niet voor fysiek edelmetaal: er is geen genormeerde koers, alleen een schatting van de marktwaarde. Een koersbron of tijdstip noemen wij daarom niet. Wat een erfgenaam wél kan doen, is per stuk gewicht en gehalte vaststellen en de materiaalwaarde navolgbaar berekenen met de smeltwaardecalculator — bij oud goud vaak het enige houvast.

De aangiftetermijn is verlengd

Waarschuwing

Bij een overlijden op of na 1 januari 2026 ligt de inleverdatum voor de aangifte erfbelasting twintig maanden na de overlijdensdatum; de acht maanden die overal worden genoemd, gelden alleen nog voor overlijdens in 2025 of eerder.

Tot slot de termijn, waar bijna elke bron op internet verouderd is. Dat is een opgave van de Belastingdienst, dus bestuurspraktijk, en wij hangen er geen wetsartikel aan. Belastingrente loopt dan vanaf twintig maanden na het overlijden, ook bij verleend uitstel.

Schenken van edelmetaal en de jaarlijkse vrijstellingen

De schenkbelasting volgt hetzelfde tarief van artikel 24 SW 1956, maar heeft eigen vrijstellingen, en die zijn klein en jaarlijks. Artikel 33 SW 1956 stelt de schenking van ouders aan een kind vrij tot € 6.908 per jaar en die van alle overige personen tot € 2.769 per jaar; beide ouders gelden daarbij als één schenker, ook als zij gescheiden zijn. Daarnaast bestaat een eenmalig verhoogde vrijstelling van € 33.129 die vrij besteedbaar is, of € 69.009 voor een dure studie.

Vrijstelling (artikel 33 SW 1956) Bedrag Voorwaarden
Ouders aan een kind € 6.908 per jaar Beide ouders gelden als één schenker, ook als zij gescheiden zijn
Alle overige personen € 2.769 per jaar Jaarlijks terugkerend
Eenmalig verhoogd, vrij besteedbaar € 33.129 Begiftigde of diens partner tussen 18 en 40 jaar, eenmaal per kind
Eenmalig verhoogd voor een dure studie € 69.009 Daarnaast een notariële akte en studiekosten van ten minste € 20.000 per jaar

Hier kantelt een Duitse denkwijze volledig. Duitsland werkt met hoge vrijstellingen die elke tien jaar opnieuw beschikbaar komen, Nederland met kleine vrijstellingen die elk jaar terugkomen. De tienjarenlogica is daarom niet overdraagbaar, en omgekeerd mag de Nederlandse jaarlijkse vrijstelling niet als een bedrag per tien jaar worden beschreven.

Voor de waardering geldt opnieuw artikel 21 lid 1 SW 1956, nu naar het tijdstip van de schenking. Beschrijvend is verder dat een schenking het metaal uit het bezit van de schenker haalt, zodat het van de volgende peildatum af in de aangifte van de begiftigde thuishoort — hoe een peildatum werkt, en geen aanbeveling om een schenking te timen. Over de termijn voor een aangifte schenkbelasting zwijgt deze tekst bewust: de datum die daarvoor rondgaat, hebben wij niet aan een officiële bron kunnen toetsen, en na de wijziging van de erfbelastingtermijn per 1 januari 2026 is bij elke Nederlandse termijn voorzichtigheid geboden.

Termijnen, bewijsstukken en vooroverleg met de Belastingdienst

Drie termijnen bepalen hoe lang een jaar open blijft.

Termijn Duur Grondslag
Bevoegdheid om een aanslag vast te stellen Drie jaar Artikel 11 lid 3 AWR
Navordering Vijf jaar Artikel 16 lid 3 AWR
Navordering bij vermogensbestanddelen die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen Twaalf jaar Artikel 16 lid 4 AWR
Opgaaf werkelijk rendement na een verstreken bezwaartermijn Vijf jaar na het betreffende jaar Tegenbewijsregeling

Belangrijk

De twaalfjaarstermijn is voor edelmetaal de belangrijkste: opslag over de grens is fiscaal niet neutraal.

Een formele fiscale bewaarplicht voor particulieren is uit de wet niet af te leiden, want de administratieplicht van artikel 52 AWR richt zich op administratieplichtigen. Wat wel geldt, is de feitelijke bewijslast bij het tegenbewijs en de inlichtingenplicht van artikel 47 AWR, en de twaalfjaarstermijn zegt daarbij genoeg over hoe lang stukken relevant blijven. Wat in box 3 juist géén rol speelt, is de toerekening van verkopen aan aankopen: een fifo-methode heeft hier geen functie, omdat de aanschafprijs nergens in de heffing terugkomt.

Voor vragen die deze gids niet beslecht, bestaat een officiële weg: de Belastingdienst voert vooroverleg, met de kaders in het Besluit fiscaal bestuursrecht en het Handboek Vooroverleg 2025. De uitkomst kan een standpuntbepaling van de inspecteur zijn of een vaststellingsovereenkomst. Voor eenvoudige vragen is er de BelastingTelefoon, voor particulieren op 0800-0543, werkdagen van 8:00 tot 17:00 uur.

Blijft over waar deze tekst ophoudt. Zij beschrijft Nederlands recht voor het belastingjaar 2026 en is geen belastingadvies: zij beoordeelt geen concreet beleggingsproduct, schrijft geen waarderingsmethode voor, noemt geen grens voor box 1 of voor het ondernemerschap in de btw, en zegt niets over wie niet in Nederland woont. Wie meer zekerheid nodig heeft, brengt zijn eigen gegevens naar de Belastingdienst of een adviseur.

Rekenmachines bij dit onderwerp

Veelgestelde vragen

Moet ik belasting betalen als ik mijn goud met winst verkoop?

Niet over de winst zelf. Voor de verkoopwinst van een particulier op fysiek edelmetaal bestaat in Nederland geen belastbaar feit; er is geen norm die hem grijpt. Dat is iets anders dan een vrijstelling, en het betekent ook niet dat goud onbelast is: het bezit valt elk jaar in box 3, of u verkoopt of niet. Wordt het handelen zo intensief dat er arbeid met een voorzienbaar voordeel bij komt, dan kan het resultaat in box 1 vallen. Een getalsmatige grens daarvoor bestaat niet, en deze tekst beoordeelt uw situatie niet.

Moet ik mijn munten opgeven als ze samen minder waard zijn dan het heffingvrij vermogen?

Het heffingvrij vermogen van € 59.357 per persoon, en € 118.714 bij een fiscale partner het hele jaar, werkt op het totaal van uw box 3-vermogen en niet per bezitting. Uw metaal telt dus op bij spaargeld en overige beleggingen, en pas die som wordt aan het bedrag getoetst. Wie al ander vermogen in box 3 heeft, ziet zijn eerste gram goud daardoor meteen meedoen, ook al blijft de waarde van het metaal zelf ver onder de vrijstelling. Of en wanneer u aangifte moet doen, staat op de site van de Belastingdienst.

Welke koers gebruik ik voor de waarde op 1 januari?

De wet noemt alleen de waarde in het economisch verkeer; een voorgeschreven waardebron bestaat niet. Er is geen aangewezen koersleverancier, geen keuze tussen bied- en laatkoers, geen tijdstip op de dag en geen regel voor het agio dat bij munten boven de metaalwaarde zit. De vaak geciteerde spotprijs per gram op 1 januari komt uit handelaarsteksten en niet uit een regeling. Praktisch betekent dat: kies een methode die u kunt uitleggen, leg vast welke dat was, en gebruik volgend jaar dezelfde. Bij twijfel is vooroverleg met de inspecteur de officiële weg.

Vallen mijn gouden munten onder de vrijstelling voor contant geld van € 672?

Nee. In het standpunt KG:202:2025:22 van 7 november 2025 antwoordde de Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst dat ter belegging gehouden gouden munten niet als contant geld kwalificeren; ze horen tot de overige bezittingen. Ze zijn dus niet van die vrijstelling uitgesloten, ze voldoen niet aan het begrip. De slotopmerking van het standpunt strekt hetzelfde uit tot andere munten waarvan de waarde in het economische verkeer veel hoger ligt dan de nominale waarde, dus ook tot zilveren beleggingsmunten. Het is bestuurspraktijk en geen wet, en het zegt niets over baren.

De goudprijs is gedaald. Betaal ik dan toch box 3?

In het forfaitaire stelsel wel, want het rendement wordt gerekend en niet gemeten. Daarnaast bestaat sinds juli 2025 de tegenbewijsregeling, waarmee u aannemelijk kunt maken dat uw werkelijk rendement lager was. Voor edelmetaal helpt die alleen in jaren waarin de waarde daalde of met minder dan 6,00 % steeg, en dan nog alleen als het rendement over uw hele box 3-vermogen onder het forfait blijft. Ongerealiseerde waardedalingen tellen mee, kosten niet, en het heffingvrij vermogen blijft buiten toepassing. De Belastingdienst rekent beide varianten en gebruikt volgens eigen opgave de voordeligste.

Kan ik de huur van een safeloket of mijn verzekering aftrekken?

Nee. Bij het opgeven van het werkelijk rendement mogen gemaakte kosten niet worden afgetrokken: niet de kosten van aan- en verkoop, en niet die van een kluis, een safeloket of een verzekering. De enige uitzondering is betaalde rente over een schuld die in box 3 valt. In het forfaitaire stelsel is er al helemaal geen ruimte voor kosten, omdat daar niet met werkelijke opbrengsten en lasten wordt gerekend. Ook de btw die u bij de aankoop van zilver, platina of palladium betaalde, is voor u als particulier nergens aftrekbaar.

Ik erf goud. Betaal ik erfbelasting én later ook box 3?

Ja, het zijn twee heffingen op twee momenten. De erfbelasting knoopt aan de verkrijging aan en wordt berekend over de waarde in het economisch verkeer op de dag van overlijden, met het tarief van artikel 24 SW 1956 en de vrijstelling die bij uw relatie tot de overledene hoort. Daarna is het metaal gewoon uw bezit en telt het van de volgende peildatum af mee in uw box 3. Voor overlijdens op of na 1 januari 2026 noemt de Belastingdienst een inleverdatum van twintig maanden na de overlijdensdatum; de veelgenoemde acht maanden gelden alleen voor eerdere jaren.

Klopt het dat box 3 vanaf 2028 het werkelijke rendement belast?

Dat is een plan en geen geldend recht. De Tweede Kamer nam het wetsvoorstel op 12 februari 2026 aan, maar de Eerste Kamer bracht het na de plenaire behandeling van 30 juni 2026 niet in stemming, en de staatssecretaris kondigde in juni 2026 een novelle aan. De inwerkingtreding is aan een koninklijk besluit gelaten, met 1 januari 2028 als richtdatum. Voor het belastingjaar 2026 geldt dus onveranderd het forfaitaire stelsel met de tegenbewijsregeling ernaast. Cijfers over de aangekondigde novelle circuleren wel, maar zijn niet aan een officiële bron te toetsen.

Verwante gidsen

Goud kopen in Nederland: wat als beleggingsgoud geldt, munt of baar, hoe het agio ontstaat, wat de keurplicht...

Gids lezen

Zilver kopen in Nederland: waarom er 21 procent btw op zilver zit en niet op beleggingsgoud, munt of baar, inv...

Gids lezen

Goud en zilver in Nederland bewaren: wat de inboedelverzekering echt dekt, welke kluisnorm de verzekeraar wil...

Gids lezen

Geschreven en onderhouden door Markus Markert. Redactionele inhoud — geen beleggingsadvies, geen koopadvies en geen prijsvoorspelling. De cijfers worden aan officiële bronnen getoetst en regelmatig bijgewerkt.

Terug naar de gidsen Laatst bijgewerkt: 17 augustus 2026

Cookiebanner? Nee!

Geen tracking, geen advertenties, geen surveillance. Beloofd. → Privacybelofte ←

Fout melden

Help ons de site te verbeteren