Belastingschatter — Bereken de Belasting op Edelmetaalverkopen
Belastingtarief: 36% — wettelijk vastgelegd
Nederland belast de winst op edelmetaal niet. Er bestaat geen vermogenswinstbelasting: koopmoment en verkoopmoment zijn fiscaal niet bepalend.
Belast wordt het bezit. De waarde van uw goud, zilver, platina en palladium op 1 januari telt mee in box 3 als overige bezitting.
Over die waarde geldt een forfaitair rendement van 6 %, waarover u 36 % inkomstenbelasting betaalt — effectief circa 2,16 % per jaar over het belaste deel van uw vermogen.
In box 3 geldt een heffingsvrij vermogen van 59.357 € per persoon. Fiscale partners tellen samen: 118.714 €.
Vrijstelling, geen drempel
Alleen het deel boven het heffingsvrij vermogen telt mee. Met 59.358 € aan bezittingen wordt er gerekend over 1 €, niet over het hele bedrag. Sommige landen kennen een drempel die het volledige bedrag in de heffing trekt — Nederland niet.
Het heffingsvrij vermogen geldt voor al uw box 3-bezittingen samen: spaargeld, beleggingen, cryptovaluta, een tweede woning en edelmetaal.
- 1. Bewaar aankoopnota's — Documenteer aankoopdatum, prijs en kosten (factuur, bankafschrift) — u hebt ze nodig voor de tegenbewijsregeling.
- 2. Noteer de waarde op 1 januari — Alleen de peildatum telt. Leg de spotprijs van 1 januari vast, met bron en datum.
- 3. Gebruik de tegenbewijsregeling — Was uw werkelijke rendement lager dan het forfait van 6 %? Dan mag u het werkelijke rendement aangeven.
- 4. Verdeel met uw fiscale partner — Samen benut u 118.714 € heffingsvrij vermogen. De verdeling van de grondslag kiest u in de aangifte.
- 5. Btw op zilver — Zilver, platina en palladium kosten 21 % btw. Beleggingsgoud is vrijgesteld (Wet OB 1968).
* Ook bij ETC's en fondsen wordt niet de winst belast, maar de waarde op de peildatum. Fiscaal maakt de vorm dus weinig uit — het verschil zit in bewaring, kosten en verzekerbaarheid.
Wat ontvangt u van een handelaar na aftrek van de marge?
Simuleer een maandelijks spaarplan — rendement met echte historische prijzen.
Bevalt wat je ziet en leest?
We steken ons hart in het snel, overzichtelijk en gratis houden van preciousmetalprices.com — geen betaalmuren, geen rommel, gewoon betrouwbare feiten en livekoersen. Als het je helpt, is de mooiste manier om dank je wel te zeggen het door te geven. Elke keer dat je het deelt, help je een medebelegger ons te ontdekken en houd je het project levend. 💛
Bevalt wat je ziet en leest?
We steken ons hart in het snel, overzichtelijk en gratis houden van preciousmetalprices.com — geen betaalmuren, geen rommel, gewoon betrouwbare feiten en livekoersen. Als het je helpt, is de mooiste manier om dank je wel te zeggen het door te geven. Elke keer dat je het deelt, help je een medebelegger ons te ontdekken en houd je het project levend. 💛
Gids: Edelmetaal en de belasting in Nederland
Box 3 — de vermogensrendementsheffing
Nederland belast edelmetaal fundamenteel anders dan de meeste landen om ons heen. Er is geen vermogenswinstbelasting: verkoopt u uw goud met winst, dan is die winst als zodanig niet belast. Wat wel telt, is het bezit. De waarde van uw edelmetaal op 1 januari hoort tot uw box 3-vermogen (Wet IB 2001, hoofdstuk 5) en daarover wordt jaarlijks geheven — of u nu koopt, houdt of verkoopt.
Waarom edelmetaal onder box 3 valt
Fysiek edelmetaal is een overige bezitting in box 3. Dat geldt voor baren, beleggingsmunten en zilveren munten. De Kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst heeft dit in KG:202:2025:22 uitdrukkelijk bevestigd voor gouden munten: ook een munt met een nominale waarde in euro is geen contant geld voor box 3, maar een overige bezitting. Dat onderscheid is niet academisch — banktegoeden kennen een eigen, lager forfait dan overige bezittingen.
Voor edelmetaal geldt een forfaitair rendement van 6 %, waarover 36 % inkomstenbelasting wordt geheven. Effectief komt dat neer op circa 2,16 % per jaar over het deel van uw vermogen boven de vrijstelling. Of uw goud dat jaar in waarde steeg of daalde, doet er voor het forfait niet toe — al biedt de tegenbewijsregeling daarvoor een uitweg (zie Fysiek versus papieren goud).
Wanneer box 1 in beeld komt
Box 3 geldt voor normaal vermogensbeheer. Gaat uw handelen daar structureel bovenuit, dan kan de Belastingdienst uw resultaat aanmerken als resultaat uit overige werkzaamheden of zelfs als winst uit onderneming — beide in box 1, tegen het progressieve tarief en over de werkelijke winst. De forfaitaire systematiek van box 3 biedt dan geen bescherming meer.
- ◆ Handelsfrequentie — incidenteel aan- en verkopen uit eigen bezit is vermogensbeheer; tientallen transacties per maand is dat niet
- ◆ Financiering met vreemd vermogen — systematisch inkopen op krediet om door te verkopen wijst op meer dan beleggen
- ◆ Georganiseerde verkoop — een eigen webshop, vaste standplaats op beurzen of gerichte advertenties duiden op een werkzaamheid
- ◆ Arbeid en voorkennis — rendement dat u hoofdzakelijk aan uw eigen arbeid of specialistische kennis dankt, hoort niet in box 3 thuis
In de praktijk: een- of tweemaal per jaar herbalanceren — zilver verkopen om goud te kopen — blijft normaal vermogensbeheer. Dagelijks handelen op koersbewegingen, met krediet en een eigen verkoopkanaal, niet. Zit u op de grens, leg dan vooraf voor aan een belastingadviseur in plaats van achteraf.
De peildatum — waarom timing wél telt, maar anders dan u denkt
In box 3 bestaat geen houdperiode. Of u uw goud twee weken of twintig jaar houdt, verandert niets: de winst is nooit belast en het bezit altijd. Wat wél telt is één moment per jaar — de peildatum van 1 januari. Alleen wat u op dat tijdstip bezit, telt mee. Koopt u op 2 januari, dan raakt die aankoop pas de aangifte over het volgende jaar; verkoopt u op 30 december, dan telt het bedrag dat jaar niet meer als edelmetaal mee.
Rekenvoorbeeld: het gaat om de omvang, niet om de duur
- ◆ Aankoop: 01/15/2025
- ◆ Verkoop: 01/16/2026
- ◆ Bezitsduur 366 dagen — niet relevant. Bleef het vermogen op 1 januari onder 59.357 €, dan → geen heffing
- ◆ Aankoop: 01/15/2025
- ◆ Verkoop: 01/14/2026
- ◆ Bezitsduur 364 dagen — evenmin relevant. Lag het vermogen op 1 januari erboven, dan → forfaitair belast
Let op de peildatum: er is er maar één per jaar, en dat is 1 januari. Een aankoop op 2 januari telt pas twaalf maanden later mee. Wie rond de jaarwisseling koopt of verkoopt, verschuift daarmee een heel heffingsjaar — maar reken uzelf niet rijk: het gaat om uw totale box 3-vermogen, en geld dat u niet in goud hebt zitten, staat op de peildatum ergens anders.
Aandachtspunten rond de peildatum
- ◆ Waardebepaling — u geeft de waarde in het economisch verkeer op 1 januari aan. De spotprijs van die dag is een verdedigbare basis; leg de bron en het tijdstip vast, zodat u de aangifte later kunt onderbouwen.
- ◆ Opslag in het buitenland — edelmetaal in een kluis buiten Nederland telt gewoon mee. De navorderingstermijn voor buitenlandse bezittingen is bovendien langer, dus bewaar die stukken extra zorgvuldig.
- ◆ Erfenis en schenking — geërfd of geschonken goud hoort vanaf dat moment tot uw box 3-vermogen. Erf- of schenkbelasting is een aparte heffing en staat los van box 3.
- ◆ Gezamenlijke opslag — bij een gemeenschappelijk depot geeft u uw eigen aandeel op. Vraag om een depotoverzicht per 1 januari; zonder dat overzicht is uw aangifte lastig te onderbouwen.
Heffingsvrij vermogen — een vrijstelling, geen drempel
Het heffingsvrij vermogen bedraagt 59.357 € per persoon. Fiscale partners tellen samen en komen daarmee op 118.714 €. Alleen het deel van uw box 3-vermogen daarboven wordt in de heffing betrokken. Het is dus een vrijstelling en geen drempel: één euro erboven kost u geen heffing over het hele vermogen, maar over die ene euro.
Drempel of vrijstelling — het verschil in de praktijk
Een drempel (zo werkt Nederland niet)
- ◆ Bij overschrijding wordt het hele bedrag belast
- ◆ 59.356 € vermogen → 0 € heffing
- ◆ 59.358 € vermogen → heffing over 59.358 €
Heffingsvrij vermogen (zo werkt het wél)
- ◆ Alleen het meerdere telt mee
- ◆ 59.356 € vermogen → 0 € heffing
- ◆ 59.358 € vermogen → heffing over 1 €
Rekenvoorbeeld: 100.000 € aan goud op de peildatum
Stel: u bent alleenstaand en bezit op 1 januari voor 100.000 € aan fysiek goud, verder geen box 3-vermogen en geen schulden.
Alleenstaand
Grondslag 100.000 − 59.357 = 40.643 €. Forfait 6 % = 2.438,58 €. Heffing 36 % = 878 €
Zonder vrijstelling zou het zijn
Forfait over 100.000 € = 6.000 €. Heffing 36 % = 2.160 €
Voor partners: met een fiscale partner verdubbelt de vrijstelling tot 118.714 €. Bij hetzelfde bezit van 100.000 € is er dan helemaal geen grondslag en dus geen heffing. De verdeling van de gezamenlijke grondslag kiest u ieder jaar opnieuw in de aangifte; die keuze verandert het totaal niet, maar wel wie het aangeeft.
Alles telt mee — en de tegenbewijsregeling
De vrijstelling geldt niet per bezitting maar voor uw hele box 3-vermogen. Edelmetaal concurreert dus met alles wat u verder bezit:
- ◆ Fysiek edelmetaal (goud, zilver, platina, palladium) — overige bezittingen
- ◆ Cryptovaluta — eveneens overige bezittingen, met hetzelfde forfait
- ◆ Beleggingen, een tweede woning, kunst en verzamelobjecten die u als belegging aanhoudt
- ◆ Spaargeld en banktegoeden — die vallen in een eigen categorie met een eigen forfait
Tegenbewijsregeling: was uw werkelijke rendement over uw box 3-vermogen lager dan het forfait, dan mag u dat werkelijke rendement aangeven en betaalt u over dat lagere bedrag. Bij edelmetaal, dat geen rente of dividend oplevert, bestaat het werkelijke rendement uit de waardeontwikkeling over het jaar — die kan ook negatief zijn. U moet het dan wel kunnen onderbouwen, over uw hele box 3-vermogen tegelijk en niet alleen over het onderdeel dat u het beste uitkomt.
Fysiek versus papieren goud — fiscaal scheelt het weinig
In veel landen bepaalt de vorm waarin u edelmetaal aanhoudt het belastingtarief. In Nederland niet: fysieke baren, beleggingsmunten, ETC's en beleggingsfondsen belanden alle in box 3 en worden alle forfaitair belast over hun waarde op 1 januari. Het verschil zit niet in de fiscaliteit maar in bewaring, kosten, tegenpartijrisico en verzekerbaarheid.
Overzicht van de behandeling
| Vorm van bezit | Box 3-categorie | Heffing |
|---|---|---|
| Fysieke baren en beleggingsmunten | Box 3 | Winst onbelast |
| Goud-ETC's, met of zonder leveringsrecht | Box 3 | Winst onbelast* |
| Edelmetaalfondsen en ETF's | Box 3 | Winst onbelast* |
| Waarde van al deze bezittingen op 1 januari | Forfaitair rendement | 6 % forfait, daarover 36 % heffing |
| Aandelen in mijnbouwbedrijven | Forfaitair rendement | Overige bezittingen, zelfde forfait |
| Aanmerkelijk belang van 5 % of meer | Forfaitair rendement | Box 2 in plaats van box 3 |
| Cryptovaluta | Box 3 | Winst onbelast |
* Ook bij ETC's en fondsen wordt niet de winst belast, maar de waarde op de peildatum. Werkelijke opbrengsten zoals dividend worden in box 3 niet apart belast — het forfait vervangt ze.
Waarom een leveringsrecht hier niet uitmaakt
In sommige landen is uitgeprocedeerd of een ETC met een recht op fysieke levering fiscaal gelijkstaat aan fysiek goud, omdat daar de winst bij verkoop wordt belast. In Nederland speelt die vraag niet: er is geen vermogenswinstbelasting, dus valt er ook niets gelijk te stellen. Zowel de munt in uw kluis als het ETC in uw effectendepot is een bezitting die op 1 januari wordt gewaardeerd.
Wat wel verschilt, is het tegenpartijrisico en de kostenstructuur. Bij fysiek bezit betaalt u eenmalig een marge en daarna eventueel bewaarkosten; bij een ETC betaalt u een doorlopende beheervergoeding en bent u afhankelijk van uitgevende instelling en bewaarder. Lees de essentiële-informatiedocumentatie van het product en let vooral op wie het metaal houdt en op wiens naam.
Munten zijn geen contant geld: volgens Kennisgroepstandpunt KG:202:2025:22 vallen gouden beleggingsmunten onder de overige bezittingen en niet onder banktegoeden — ook als er een nominale waarde in euro op staat. Dat is ongunstiger, want banktegoeden kennen een eigen, lager forfait. Reken uzelf dus niet rijk met de nominale waarde van een munt.
Vastleggen en aangeven — wat de Belastingdienst wil zien
Voor box 3 draait alles om één cijfer: de waarde van uw edelmetaal op 1 januari. U geeft dat bedrag zelf op en u moet het desgevraagd kunnen onderbouwen. Wilt u daarnaast een beroep doen op de tegenbewijsregeling, dan hebt u meer nodig: dan moet u uw werkelijke rendement over het hele jaar aannemelijk maken.
Wat u bewaart
- ◆ Aankoopnota's en facturen — met datum, omschrijving, gewicht, gehalte en prijs. Bij onlineaankopen ook de orderbevestiging en het betaalbewijs.
- ◆ Verkoopbewijzen — inkoopbon of verkoopbevestiging met datum en opbrengst, zodat u kunt aantonen dat het bezit op de volgende peildatum weg was.
- ◆ Waardering per 1 januari — noteer de gebruikte spotprijs, de bron en het tijdstip. Een schermafdruk met datum is genoeg en scheelt discussie achteraf.
- ◆ Opslagbewijzen — kluiscontracten en depotoverzichten per 1 januari, zeker bij opslag in het buitenland.
- ◆ Bankafschriften — als aanvullend bewijs van de geldstromen bij aan- en verkoop, en als onderbouwing voor de tegenbewijsregeling.
Bewaartermijnen en de aangifte
Particulieren kennen geen wettelijke administratieplicht, maar de Belastingdienst kan wel navorderen: in beginsel tot vijf jaar na afloop van het belastingjaar, en tot twaalf jaar voor bezittingen die in het buitenland worden aangehouden. Bewaar uw stukken dus minimaal vijf jaar, en bij een buitenlandse kluis aanmerkelijk langer. U geeft het bezit aan in de aangifte inkomstenbelasting, in box 3 onder de overige bezittingen.
- ◆ Scan alles — kassabonnen op thermisch papier vervagen binnen enkele jaren. Een gedateerde scan in een back-up overleeft het papier.
- ◆ Fotografeer serienummers — bewaar de foto bij de bijbehorende factuur, zodat een baar aan een aankoop te koppelen is.
- ◆ Houd een overzicht bij — per regel: aankoopdatum, product, gewicht, gehalte, prijs, en de waarde per 1 januari van elk jaar. Dat overzicht is precies wat u voor de aangifte en voor de tegenbewijsregeling nodig hebt.
Ontbreekt er een bewijs? Bankafschriften, e-mailbevestigingen en overzichten van de bewaarder gelden als alternatief bewijs. Voor de waardering op de peildatum is een aankoopnota trouwens niet doorslaggevend — daar telt de marktwaarde op 1 januari. Voor de tegenbewijsregeling telt de aanschafwaarde wél, want zonder beginwaarde valt geen werkelijk rendement te berekenen.